Hieronder staan twee fictieve onderzoeksvoorstellen in verkorte vorm: een kwalitatief voorstel uit sociaal werk en een kwantitatief voorstel uit bedrijfsmanagement. Bij elk onderdeel staat waarom het fragment goed is en welke vraag je promotor er nog bij stelt. De voorbeelden tonen hoe de onderdelen op elkaar aansluiten. Neem ze niet over: je eigen voorstel vertrekt van je eigen vraag en je eigen opdrachtomschrijving.
Bijgewerkt voor academiejaar 2026-2027, nagekeken op .
Onderzoeksplan laten nakijkenJe krijgt eerst een gratis preview. Betalen doe je pas als je verder wilt.
Elk fragment staat tussen enkele aanhalingstekens en is verzonnen: de organisaties, de cijfers en de bronnen bestaan niet. Let bij elk onderdeel op de woorden die het van het vorige onderdeel overneemt: daar zit de aansluiting. Welke onderdelen een voorstel heeft en wat er in elk deel hoort, staat bij een onderzoeksvoorstel schrijven.
Fictief voorbeeld van een opmerkingJe besluit stelt dat de maatregel werkt, maar je interviews tonen vooral hoe medewerkers ze ervaren. Kan je je besluit afbakenen tot wat je gegevens laten zien?
Upload je pdf en de gratis preview toont je een eerste opmerking bij een deel van je tekst, zonder account. Betalen doe je pas als je de volledige evaluatie wilt.
Kies je pdfof sleep hem hierheen| Onderdeel | Fictief fragment | Verantwoording | Wat je promotor nog vraagt |
|---|---|---|---|
| Werktitel | ‘Loslaten en vasthouden. Hoe mantelzorgers van personen met jongdementie de start van dagopvang ervaren.’ | Waarom dit een goede werktitel is: je leest wie je onderzoekt (mantelzorgers van personen met jongdementie), wat (hoe ze die start beleven) en welk moment (de start van dagopvang). Een lezer weet na één regel waar het voorstel over gaat. Het eerste deel, ‘Loslaten en vasthouden’, mag beeldend zijn omdat het tweede deel zegt waar het om gaat. | Is dagopvang in de regio waar je onderzoekt een gangbare stap, of een uitzondering? |
| Probleemstelling | ‘Dagopvang ontlast mantelzorgers, maar de overgang zelf kan zwaar zijn. Over mantelzorgers van personen met dementie op oudere leeftijd bestaat daar onderzoek over; over mantelzorgers van personen met jongdementie, die vaak nog werken en kinderen thuis hebben, vonden we weinig.’ | Waarom dit een goede probleemstelling is: de eerste zin noemt het probleem (de overgang kan zwaar zijn). De tweede zin noemt de lacune en zegt waarom deze groep anders is, want deze mantelzorgers ‘vaak nog werken en kinderen thuis hebben’. Daardoor volgt de keuze voor jongdementie uit de tekst zelf. | Hoe zocht je voor je besloot dat er weinig onderzoek is? Noem in een paar zinnen de databanken en zoektermen, anders kan je lezer de lacune niet nagaan. |
| Onderzoeksvraag | ‘Hoe ervaren mantelzorgers van personen met jongdementie de eerste drie maanden na de start van dagopvang?’ | Waarom dit een goede onderzoeksvraag is: de vraag legt de groep en de periode vast (de eerste drie maanden na de start), en de groep is woord voor woord die uit de probleemstelling. Een vraag naar ervaring beantwoord je met interviews, en dat is de methode hieronder. | Welke deelvragen maken het antwoord concreet, bijvoorbeeld over de beslissing, de eerste weken en de verandering in de eigen rol? |
| Methode | ‘Semigestructureerde interviews met mantelzorgers van wie de naaste drie tot zes maanden geleden met dagopvang startte, geworven via twee dagcentra. We plannen tien tot twaalf interviews en stoppen wanneer twee opeenvolgende interviews geen nieuw thema opleveren. Elk interview coderen we binnen de week: eerst open codes per transcript, daarna groeperen we de codes tot thema's en leggen we die thema's naast alle transcripten.’ | Waarom dit een goede methode is: het inclusiecriterium (start drie tot zes maanden geleden) past bij de periode in de onderzoeksvraag. Wie deelneemt, heeft de eerste drie maanden helemaal meegemaakt en herinnert ze zich nog. Het stopcriterium is controleerbaar: twee interviews zonder nieuw thema. Omdat je codeert terwijl je interviewt, zie je ook wanneer je dat punt bereikt. | Wie kiest de deelnemers, het dagcentrum of jij? Als het dagcentrum vooral tevreden gezinnen aanbrengt, hoor je vooral hun ervaringen. |
| Ethiek | ‘Vóór de eerste contacten gaat het voorstel naar de ethische commissie. Deelnemers krijgen een informatiebrief, tekenen een toestemmingsformulier, krijgen een pseudoniem en kunnen tot het einde van de analyse stoppen; hun gegevens worden dan gewist. Over hun naaste vragen we alleen wat nodig is om hun eigen ervaring te begrijpen. De opnames worden gewist na transcriptie.’ | Waarom dit een goede ethiekparagraaf is: elke maatregel is concreet (een brief, een formulier, een pseudoniem, de termijn waarbinnen iemand kan stoppen, het moment waarop de opnames verdwijnen). De zin over de naaste beperkt wat je verzamelt over iemand die zelf niet deelneemt en geen toestemming geeft. | Wat doe je als een gesprek zwaar wordt voor de deelnemer, en naar wie verwijs je achteraf door? Bij dit onderwerp kan dat in elk interview gebeuren. |
| Planning | ‘December: advies van de ethische commissie en toestemming van de dagcentra. Januari tot maart: interviews, elk binnen de week uitgeschreven en gecodeerd. April: thema's uitwerken en resultaten schrijven.’ | Waarom dit een goede planning is: wat van anderen afhangt (de commissie en de dagcentra) staat in de eerste maand, vóór de interviews. Het coderen loopt mee met de interviews, zodat je het stopcriterium uit de methode tijdens het veldwerk kan toepassen. | Wat als de commissie of een dagcentrum pas in februari antwoordt? Een buffer of een tweede manier om deelnemers te vinden hoort in een planning. |
| Onderdeel | Fictief fragment | Verantwoording | Wat je promotor nog vraagt |
|---|---|---|---|
| Aanleiding | ‘Bij het bedrijf Vrachtloods Zuid stijgt het verloop bij bedienden sinds de directie het thuiswerk terugschroefde naar één dag per week. De directie vraagt of er een verband is.’ | Waarom dit een goede aanleiding is: het fragment houdt uit elkaar wat het bedrijf ziet (het verloop stijgt), wat eraan voorafging (thuiswerk naar één dag per week) en wat de directie vraagt (of er een verband is). Een oorzaak staat er nog niet in. | Vraagt de directie een verband of een oplossing? Het eerste kan je onderzoeken, het tweede is een advies dat erop volgt. |
| Onderzoeksvraag | ‘Hangt de tevredenheid over de thuiswerkregeling samen met de intentie om te vertrekken bij bedienden van Vrachtloods Zuid, en hangt de sterkte van dat verband af van de reistijd?’ | Waarom dit een goede onderzoeksvraag is: ze noemt twee variabelen (tevredenheid over de regeling, vertrekintentie) en een derde die het verband sterker of zwakker kan maken (reistijd). ‘Hangt samen’ vraagt naar een verband, en dat meet je met één bevraging. | De aanleiding gaat over wie vertrok, de vraag over wie er nog werkt. Hoe ga je in je besluit met dat verschil om, en met het verschil tussen samenhang en oorzaak? |
| Hypothesen | ‘H1: Hoe lager de tevredenheid over de regeling, hoe hoger de vertrekintentie. H2: Dat verband is sterker bij een langere reistijd.’ | Waarom dit goede hypothesen zijn: H1 geeft het eerste deel van de vraag een richting (lager, hoger), H2 het tweede deel (sterker bij een langere reistijd). Elke hypothese kan door de data verworpen worden. | Uit welke literatuur volgen deze verwachtingen? Zonder bron is het niet duidelijk waarom je ze verwacht. |
| Meting | ‘Vertrekintentie met een bestaande schaal van drie items (fictieve bron), tevredenheid over de regeling met vijf eigen items, beide op een vijfpuntenschaal. Reistijd: de gewone duur van een enkele rit tussen thuis en werk, in minuten.’ | Waarom dit een goede operationalisering is: elke variabele uit H1 en H2 heeft een instrument, met de schaal erbij. Je ziet welke meting al getest is (de bestaande schaal) en welke je zelf nog moet testen (de vijf eigen items). | Hoe test je de eigen items vooraf, en wat doe je als ze onderling niet samenhangen? |
| Steekproef | ‘Alle 220 bedienden krijgen via de interne nieuwsbrief een link naar een anonieme online vragenlijst. Een poweranalyse vooraf bepaalt hoeveel antwoorden nodig zijn om H2 te toetsen; halen we dat aantal niet, dan rapporteren we H2 als verkennend.’ | Waarom dit een goede steekproefkeuze is: bij 220 bedienden kan je iedereen uitnodigen, zodat niemand vooraf door een selectie wegvalt. Een interactieterm vraagt meer antwoorden dan een hoofdeffect. Door dat vooraf te berekenen en te zeggen wat je doet als het aantal niet gehaald wordt, ligt de lezing van H2 vast voor je de data ziet. | Wie vult zoiets in? Wie al twijfelt om te vertrekken, antwoordt misschien vaker, en dat kleurt je resultaat. Hoe vergelijk je je respondenten met alle bedienden, bijvoorbeeld op leeftijd en anciënniteit? |
| Analyse | ‘Meervoudige lineaire regressie met vertrekintentie als afhankelijke variabele, tevredenheid en reistijd als onafhankelijke variabelen, beide gecentreerd, en hun product als interactieterm.’ | Waarom dit een goed analyseplan is: het effect van tevredenheid toetst H1, de interactieterm toetst H2. Gecentreerd betekent dat je van elke score het gemiddelde aftrekt; het effect van tevredenheid lees je dan als het effect bij een gemiddelde reistijd. | Welke controlevariabelen neem je op, en waarom? |
| Ethiek | ‘De vragenlijst vraagt geen naam en geen afdeling; leeftijd en anciënniteit vragen we in brede categorieën. De directie krijgt alleen resultaten voor alle bedienden samen. Deelnemers lezen vooraf waarvoor hun antwoorden dienen en kunnen elke vraag overslaan.’ | Waarom dit een goede ethiekparagraaf is: wie over vertrekken antwoordt, doet dat over de eigen werkgever. Daarom staan er drie controleerbare maatregelen (geen naam en geen afdeling, brede categorieën, alleen totaalresultaten voor de directie). | Wie beheert de ruwe data, jij of het bedrijf? Als de directie het bestand kan opvragen, heb je de anonimiteit niet zelf in handen. |
| Planning | ‘Februari: de vragenlijst voorleggen aan vijf bedienden en onduidelijke items herwerken. Maart: drie weken bevraging, met een herinnering na een week. April: analyse.’ | Waarom dit een goede planning is: de proef op begrijpelijkheid krijgt een eigen maand vóór de bevraging. Of de eigen items samenhangen, zie je pas in de volledige data. De herinnering staat erin omdat het aantal antwoorden uit de poweranalyse ervan afhangt. | Wanneer verschijnt de nieuwsbrief, en wie beslist wat erin komt? Daar hangt de start van je bevraging van af. |
In industriële wetenschappen, toegepaste informatica of productontwikkeling vertrekt een voorstel vaak van een ontwerpvraag: hoe kan een systeem, product of proces aan bepaalde eisen voldoen? Dan vervangen eisen en criteria de hypothesen. Een fictief fragment: ‘Het dashboard moet de planner binnen dertig seconden tonen welke leveringen vertraging oplopen; we testen dat met vijf planners in twee testrondes.’ Je promotor vraagt dan vooral hoe je de eisen bepaalde, wie ze goedkeurt en hoe je test of je ontwerp eraan voldoet.
Een kort document met werktitel, probleemstelling, onderzoeksvraag en deelvragen, literatuur, methode, ethiek, planning en bronnen, waarin elk onderdeel uit het vorige volgt. De twee fictieve voorbeelden op deze pagina tonen de meeste van die onderdelen, een voor een.
Zie voorbeeld 1: een fictief voorstel over hoe mantelzorgers van personen met jongdementie de start van dagopvang ervaren, met interviews en thematische analyse.
Nee. Een voorbeeld toont hoe onderdelen aansluiten; je eigen voorstel vertrekt van je eigen vraag, en wat je overneemt zonder bron is plagiaat. Gebruik de vragen in de laatste kolom om je eigen tekst na te lopen.
Dezelfde onderdelen, met meer gewicht op het theoretisch kader en op de verantwoording van je design. Zie een onderzoeksvoorstel schrijven voor wat er in elk onderdeel hoort.
Esmond leest je eigen voorstel en stelt zulke vragen bij je tekst: waar een onderdeel losstaat, waar een keuze geen reden heeft. Het schrijft geen voorstel voor je. Gratis voorproef, daarna vanaf €3,99, klaar na enkele minuten.
Laat je tekst evalueren voor je indient
Je krijgt eerst een gratis preview. Betalen doe je pas als je verder wilt.